Inburgering Coach
Gratis oefentoetsen

Lezen en grammatica oefenen

Lezen en grammatica oefenen voor de inburgering? Hieronder staan 28 oefenvragen op A2- en B1-niveau. Kies een set, beantwoord de vragen en zie na elke vraag het juiste antwoord met uitleg. Aan het eind krijg je je score. Geen account nodig.

28 oefenvragen in 3 sets · directe uitleg · gratis

Score: 0

Oefenvragen ter voorbereiding. Boek het officiële examen via DUO (inburgeren.nl).

Alle 28 vragen met antwoord en uitleg

Liever lezen dan klikken? Hieronder staan alle oefenvragen per set, met het juiste antwoord en waarom het juist is.

Grammatica A2

  1. 1. Welke vorm is correct? 'Hij ___ om 8 uur.'

    • werk
    • werkt
    • werken
    • gewerkt

    Bij hij/zij/het zet je -t achter de werkwoordstam: werk → werkt.

  2. 2. Ik ___ in Amsterdam. (I work in Amsterdam.)

    • woon
    • werkt
    • werk
    • werken

    Bij 'ik' gebruik je de werkwoordstam zonder uitgang: werken → werk.

  3. 3. Welke is correct? 'Wij ___ naar school.'

    • gaat
    • ga
    • gaan
    • gegaan

    Bij wij/zij (meervoud) gebruik je de hele werkwoordsvorm (het hele werkwoord): gaan.

  4. 4. Welk lidwoord? '___ huis'

    • de
    • het
    • een
    • geen

    'Huis' is een het-woord: het huis.

  5. 5. Welke zin heeft de juiste woordvolgorde?

    • Morgen ik werk thuis
    • Morgen werk ik thuis
    • Ik morgen werk thuis
    • Werk morgen ik thuis

    Begint een zin met een tijdsbepaling, dan blijft de persoonsvorm op plaats 2: Morgen werk ik thuis.

  6. 6. 'geen' of 'niet'? 'Ik werk vandaag ___.'

    • geen
    • niet
    • nee
    • nooit

    Gebruik 'niet' bij werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. 'Geen' vervangt 'een' of het ontbrekende lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord.

  7. 7. Welk hulpwerkwoord betekent 'mogen' (toestemming)?

    • kunnen
    • moeten
    • mogen
    • willen

    Mogen = toestemming. Kunnen = in staat zijn. Moeten = verplichting. Willen = een wens.

  8. 8. Welk voorzetsel? 'Ik wacht ___ de bus.'

    • in
    • op
    • aan
    • bij

    Wachten op = wachten tot iets komt. Dit is een vaste combinatie van werkwoord + voorzetsel.

  9. 9. Waar staat 'altijd' in de zin? 'Ik werk thuis.'

    • Altijd ik werk thuis
    • Ik werk altijd thuis
    • Ik werk thuis altijd
    • Ik altijd werk thuis

    Bijwoorden van frequentie (altijd, vaak, soms, nooit) staan na de persoonsvorm: Ik werk altijd thuis.

  10. 10. Hoe vorm je een regelmatig voltooid deelwoord?

    • stem + -en
    • ge- + stem + -t or -d
    • ge- + infinitive
    • stem + -te

    Regelmatig: ge- + stam + -t (gewerkt, gekookt) of -d (geleerd, gebeld). Gebruik 't kofschip om te kiezen: eindigt de stam op t/k/f/s/ch/p, dan -t.

Lezen A2

  1. 1. Welke vorm is correct? 'Morgen ___ ik naar school.'

    • ga
    • gaat
    • gaan
    • ging

    Na een tijdsbepaling als 'morgen' staat het werkwoord op de tweede plaats en wisselt het onderwerp van plek: Morgen ga ik. De vorm bij 'ik' is 'ga' (onregelmatig werkwoord 'gaan').

  2. 2. Vandaag leest ___ meisje een boek. (Today ___ girl reads a book.)

    • het
    • de
    • deze
    • die

    'Meisje' is een het-woord (onzijdig), dus gebruik je het lidwoord 'het': het meisje.

  3. 3. De les begint ___ maandag om tien uur. (The lesson starts ___ Monday at ten.)

    • op
    • in
    • aan
    • bij

    Bij dagen van de week gebruik je in het Nederlands het voorzetsel 'op': op maandag.

  4. 4. Welke zin heeft de juiste woordvolgorde?

    • Ik niet bel je op morgen
    • Ik bel je morgen niet op
    • Ik bel niet je morgen op
    • Niet ik bel je morgen op

    Het scheidbare voorvoegsel gaat naar het eind van de zin. 'Niet' komt vlak voor dat voorvoegsel: Ik bel je morgen niet op.

  5. 5. Ik kan niet komen, ___ ik ben ziek. (I can't come, ___ I'm sick.)

    • want
    • omdat
    • dat
    • als

    Met 'want' blijft de zinsbouw normaal (werkwoord op de tweede plek): want ik ben ziek. Met 'omdat' zou het werkwoord naar achteren gaan.

  6. 6. Wat is het voltooid deelwoord van 'opbellen'?

    • gebeld
    • opgebeld
    • geopbeld
    • beld

    Bij scheidbare werkwoorden komt 'ge-' in het midden: op + ge + beld = opgebeld.

Lezen en grammatica B1

  1. 1. Vroeger ___ ik in een restaurant. (I used to work in a restaurant.)

    • werk
    • gewerkt
    • werkte
    • werken

    Imperfectum (verleden tijd): stam + -te(n) of -de(n). 'werken' eindigt op -k ('t kofschip), dus -te → 'werkte'. Gebruik de imperfectum om over het verleden te vertellen.

  2. 2. Ik kook ___ jij de tafel dekt. (I cook while you set the table.)

    • tijdens
    • wanneer
    • als
    • terwijl

    'terwijl' (while) is een onderschikkend voegwoord en verbindt twee gelijktijdige acties. Na 'terwijl' gaat het werkwoord naar het einde van de bijzin: ...terwijl jij de tafel dekt.

  3. 3. 'De man ___ daar staat' / 'Het huis ___ daar staat' — welke betrekkelijke voornaamwoorden?

    • die / dat
    • dat / die
    • die / die
    • wat / dat

    Het betrekkelijk voornaamwoord volgt het lidwoord van het zelfstandig naamwoord: de-woorden → die (de man die...), het-woorden → dat (het huis dat...). Het werkwoord gaat nog steeds naar het eind van de bijzin.

  4. 4. De vrouw ___ naast mij woont is aardig. (The woman who lives next to me is nice.)

    • die
    • dat
    • wat
    • wie

    Het betrekkelijk voornaamwoord volgt het lidwoord van het zelfstandig naamwoord: de-woorden → 'die' (de vrouw die...), het-woorden → 'dat' (het huis dat...).

  5. 5. Ik ga naar de winkel ___ brood te kopen. (I go to the shop to buy bread.)

    • voor
    • om
    • te
    • dat

    Om een doel uit te drukken ('om te' = in order to) gebruik je 'om ... te + infinitief'. Het hele werkwoord komt achteraan: ...om brood te kopen.

  6. 6. Ik probeer elke dag Nederlands ___ spreken. (I try to speak Dutch every day.)

    • om
    • gaan
    • te
    • moet

    Werkwoorden als 'proberen', 'hopen' en 'beloven' nemen een kaal 'te' + infinitief, zonder 'om': Ik probeer ... te spreken. Gebruik 'om ... te' alleen voor een doel.

  7. 7. Hij voelt ___ vandaag niet lekker. (He doesn't feel well today.)

    • hem
    • zelf
    • zich
    • zijn

    Wederkerende werkwoorden gebruiken een wederkerend voornaamwoord. Bij hij/zij/u en zij (meervoud) is dat 'zich': Hij voelt zich niet lekker. (ik → me, jij → je, wij → ons.)

  8. 8. Het pakket ___ morgen bezorgd. (The parcel will be delivered tomorrow.)

    • is
    • heeft
    • wordt
    • gaat

    De lijdende vorm voor een lopende of toekomstige actie gebruikt 'worden' + voltooid deelwoord: Het pakket wordt bezorgd. 'zijn' gebruik je voor een afgeronde actie: is bezorgd.

  9. 9. Ik ___ graag een afspraak willen maken. (I would like to make an appointment.)

    • zal
    • wil
    • zou
    • kan

    'zou' (would) maakt een zin beleefd of hypothetisch: Ik zou graag ... willen maken. Het klinkt vriendelijker en formeler dan 'ik wil', en je komt het vaak tegen in formele brieven.

  10. 10. Hoe zeg je 'I should have done it' (spijt over het verleden)?

    • Ik zou het doen
    • Ik had het moeten doen
    • Ik doe het
    • Ik zal het doen

    'zou + infinitief' = would (hypothetisch of beleefd): Ik zou het doen. 'had moeten + infinitief' = should have (spijt over het verleden): Ik had het moeten doen.

  11. 11. Welk signaalwoord betekent 'daarom' (een gevolg)?

    • bovendien (moreover)
    • daarom (therefore)
    • echter (however)
    • namelijk (namely)

    daarom = gevolg, bovendien = voegt informatie toe, echter = tegenstelling, namelijk = legt uit/geeft een reden. Begint een zin met zo'n woord, dan komt het werkwoord op de tweede plaats (inversie): Het regende. Daarom bleef ik thuis.

  12. 12. Het regende hard. ___ bleef ik thuis. (It rained hard. Therefore I stayed home.)

    • Omdat
    • Want
    • Maar
    • Daarom

    'Daarom' (therefore) geeft een gevolg aan en start een hoofdzin. Door de inversie komt het werkwoord op de tweede plaats: Daarom bleef ik thuis.

Wat oefen je hier?

Lezen en grammatica zijn op het inburgeringsexamen niet twee losse dingen. Bij het leesonderdeel krijg je korte Nederlandse teksten — een brief van de gemeente, een mededeling op het werk, een advertentie — en moet je er de juiste informatie uit halen. Of dat lukt, hangt bijna altijd af van of je de grammaticale signalen herkent: welk lidwoord ergens staat, welk voorzetsel, waar het werkwoord staat, welk verbindingswoord twee zinnen aan elkaar knoopt. Wie die signalen snel leest, leest de tekst snel. Daarom staan de lees- en grammaticaoefeningen hier bij elkaar.

Grammatica A2

Op A2-niveau gaat het om de basis, en die basis is kleiner dan mensen denken. Deze set raakt de onderwerpen die op het examen het vaakst fout gaan:

  • Werkwoordstijden — de tegenwoordige tijd (ik werk, hij werkt, wij werken) en de voltooide tijd (ik heb geleerd).
  • Woordvolgorde — de persoonsvorm op plaats twee, en waar bijwoorden als 'altijd' en 'vaak' staan.
  • Lidwoorden — wanneer je 'de' of 'het' gebruikt. Nederlandse zelfstandige naamwoorden zijn óf een de-woord óf een het-woord; dat leer je het snelst door het lidwoord samen met het woord te onthouden.
  • Ontkenning en hulpwerkwoorden — 'geen' versus 'niet', de modale werkwoorden (kunnen, moeten, mogen, willen) en de vaste combinaties van werkwoord en voorzetsel, zoals 'wachten op'.

Lezen A2

Bij lezen op A2-niveau lees je korte, alledaagse teksten: brieven, e-mails, mededelingen en advertenties. Je moet de hoofdlijn begrijpen en de juiste informatie eruit halen. De vragen in deze set zijn korte begrip- en gebruiksvragen — losse taalgebruikvragen, geen leestekst met vragen erover — omdat het precies die signalen zijn waarop je een echte tekst ontcijfert. Scheidbare werkwoorden ('ik bel je morgen niet op'), voorzetsels bij dagen ('op maandag') en het verschil tussen 'want' en 'omdat' komen allemaal terug in de teksten die je op het examen krijgt.

Lezen en grammatica B1

B1 ligt een stap boven A2: de teksten zijn langer, de zinnen zijn complexer, en je moet niet alleen de hoofdlijn maar ook de details en de verbanden begrijpen — oorzaak en gevolg, tegenstelling, gelijktijdigheid. Grammaticaal komt daar het volgende bij:

  • Bijzinnen — na een onderschikkend voegwoord (omdat, terwijl, hoewel, dat) schuift het werkwoord naar het einde: 'Ik blijf thuis omdat het regent.' Dit is de lastigste én de belangrijkste regel op B1.
  • De verleden tijd (imperfectum) — stam + -te(n) of -de(n), waarbij 't kofschip bepaalt welke van de twee.
  • Betrekkelijke voornaamwoorden — 'die' bij de-woorden, 'dat' bij het-woorden.
  • De lijdende vorm — 'worden' + voltooid deelwoord voor iets wat nog gebeurt ('het pakket wordt bezorgd'), 'zijn' voor iets wat af is ('het pakket is bezorgd'). Het verschil bepaalt wie wat doet, en dat is precies wat een leesvraag test.
  • Signaalwoorden — daarom (gevolg), bovendien (toevoeging), echter (tegenstelling), namelijk (uitleg). Eén zo'n woord kan de betekenis van een hele alinea kantelen.

Deze B1-grammatica is dezelfde basis die je nodig hebt voor het Staatsexamen NT2 Programma I en voor inburgering op B1-niveau. Twijfel je of je op A2 of B1 zit? Doe eerst de gratis niveautest.

Hoe haal je er het meeste uit?

Eén oefentoets is een momentopname. De score zegt weinig; de uitleg bij de vragen die je fout had zegt alles. Lees die uitleg dus echt, en doe de set een paar dagen later nog eens — als je dan dezelfde vraag weer fout hebt, weet je precies welke regel nog niet zit. Haal je consequent het grootste deel goed én kun je uitleggen waaróm een antwoord klopt, dan zit je op de goede weg.

Combineer dit daarnaast met de andere onderdelen: de voorbeeldopdrachten voor schrijven laten je dezelfde grammatica actief gebruiken in plaats van herkennen, en dat is wat het schrijf- en spreekonderdeel van je vragen. Het KNM-oefenexamen dekt het vijfde onderdeel. Het officiële examen boek je bij DUO op inburgeren.nl, waar ook de officiële oefenexamens staan.

Veelgestelde vragen

Wat moet ik kunnen voor het onderdeel lezen op A2-niveau? +

Bij lezen op A2-niveau lees je korte, alledaagse teksten zoals brieven, e-mails, mededelingen en advertenties. Je moet de hoofdlijn begrijpen en de juiste informatie eruit halen. Veel van dat leeswerk draait om grammaticale signalen — lidwoorden, voorzetsels, woordvolgorde — en die signalen train je met de korte begrip- en gebruiksvragen in de A2-sets hierboven. Het zijn losse taalgebruikvragen, geen leestekst met vragen erover.

Wat moet je kunnen voor lezen op B1-niveau? +

Op B1-niveau lees je teksten over alledaagse en werkgerelateerde onderwerpen: brieven, e-mails, advertenties, nieuwsberichten en instructies. Je begrijpt de hoofdlijn én de details, en je herkent verbanden zoals oorzaak-gevolg en tegenstelling. Veel van het leeswerk draait om grammaticale signalen — verbindingswoorden, betrekkelijke voornaamwoorden, de lijdende vorm — die de B1-set stuk voor stuk traint. B1-lezen heb je nodig voor het Staatsexamen NT2 Programma I en voor inburgering op B1-niveau.

Welke grammatica moet ik kennen voor het A2-inburgeringsexamen? +

Op A2-niveau gaat het om de basis: de tegenwoordige tijd (ik werk, hij werkt, wij werken), de voltooide tijd (ik heb geleerd), woordvolgorde (de persoonsvorm op plaats 2), lidwoorden (de/het), 'geen' versus 'niet', modale werkwoorden (kunnen, moeten, mogen, willen), voorzetsels en eenvoudige verbindingswoorden zoals want, omdat en dat.

Wat is het verschil tussen A2- en B1-grammatica? +

Op A2 oefen je vooral basiszinnen, lidwoorden en de tegenwoordige tijd. Op B1 komen langere, samengestelde zinnen erbij: bijzinnen met het werkwoord achteraan, de verleden tijd (imperfectum), betrekkelijke voornaamwoorden met die en dat, de lijdende vorm (worden + voltooid deelwoord) en het correct verbinden van zinnen met voegwoorden en signaalwoorden zoals daarom en echter.

Waarom gaat het werkwoord in een bijzin naar het einde? +

Na een onderschikkend voegwoord (omdat, terwijl, hoewel, dat) verandert de woordvolgorde: het werkwoord schuift naar het einde van de bijzin. Bijvoorbeeld: 'Ik blijf thuis omdat het regent.' Dit is een van de lastigste maar belangrijkste regels op B1, en het is meteen het snelste signaal of iemand op A2 of op B1 zit.

Hoe oefen ik woordvolgorde in het Nederlands? +

De belangrijkste regel: in een hoofdzin staat het werkwoord altijd op de tweede plaats. Begin je met een tijdsbepaling, dan komt het onderwerp na het werkwoord: 'Morgen werk ik thuis.' Bijwoorden van frequentie (altijd, vaak, soms, nooit) komen na het werkwoord. Doe de A2-grammaticaset hierboven om dit met directe feedback te trainen.

Wat is het verschil tussen 'de' en 'het'? +

Nederlandse zelfstandige naamwoorden zijn óf de-woorden óf het-woorden. De meeste woorden zijn de-woorden (de tafel, de stoel, de tuin), maar een deel is een het-woord (het huis). Bij meervoud gebruik je altijd 'de' (de kinderen). Welk lidwoord een woord heeft, leer je het beste door het samen met het woord te onthouden.

Helpt grammatica oefenen bij beter lezen? +

Ja, en dat is precies waarom lezen en grammatica op deze pagina bij elkaar staan. Veel leesvragen toetsen of je grammaticale signalen herkent: een verbindingswoord als 'hoewel' of 'daarom' verandert de betekenis van een zin, en de lijdende vorm bepaalt wie iets doet. Wie die signalen snel leest, begrijpt de tekst sneller.

Is deze oefening gratis en heb ik een account nodig? +

De oefentoetsen zijn gratis en je hebt geen account nodig. Je beantwoordt de vragen direct in je browser, krijgt na elke vraag het juiste antwoord met uitleg, en aan het eind je score. Een account maak je alleen aan als je verder wilt oefenen in de app.

Is deze oefentoets hetzelfde als het echte inburgeringsexamen? +

Nee, dit zijn oefenvragen om je lezen en grammatica te trainen, niet de officiële examenvragen. Het echte inburgeringsexamen boek je via DUO op inburgeren.nl, waar ook de officiële oefenexamens staan die de vorm van het echte examen nabootsen. Goed oefenen met deze stof helpt je wel om beter voorbereid te zijn.

Waar boek ik het echte inburgeringsexamen? +

Het officiële inburgeringsexamen boek je via DUO op inburgeren.nl. Elk onderdeel — schrijven, lezen, luisteren, spreken en KNM — boek en doe je apart. Deze pagina is alleen bedoeld om te oefenen.

Oefen verder in de app

Oefen alle A2- en B1-grammatica met uitleg op maat, plus lezen, schrijven en spreken met directe AI-feedback. Gratis om te beginnen.