Inburgering Coach
Guide

D of t schrijven — de regel en 40 veelgemaakte werkwoorden

Bij ik schrijf je de stam; bij hij/zij/het en jij vóór de persoonsvorm stam + t, en bij jij achter de persoonsvorm de stam. Oefen met korte voorbeelden en veelgebruikte werkwoorden.

Sanne de Vries Vaste auteursnaam, zie ons redactiebeleid
• Bronnen gecontroleerd op 2 okt 2026

D, t of dt — bepaal eerst wat voor werkwoordsvorm je ziet

Bij ik schrijf je de stam; bij hij/zij/het en jij vóór de persoonsvorm schrijf je stam + t; bij jij achter de persoonsvorm schrijf je de stam (Onze Taal). ’t Ex-kofschip helpt bij de verleden tijd en het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden, niet bij de tegenwoordige tijd (Onze Taal; Team Taaladvies).

Tegenwoordige tijd — stam, stam + t en de uitzondering bij jij

Neem het hele werkwoord en haal -en weg. Die vorm is meestal de stam: werken wordt werk, vinden wordt vind en worden wordt word (Onze Taal). Bij ik schrijf je de stam. Bij hij, zij of het schrijf je meestal de stam met t erachter (Onze Taal).

OnderwerpVormVoorbeeld
ikstamIk vind de brief. (Onze Taal)
hij, zij, hetstam + tHij vindt de brief. (Onze Taal)
jij vóór de persoonsvormstam + tJij vindt de brief. (Onze Taal)
jij ná de persoonsvormstamVind jij de brief? (Onze Taal)

Bij vinden eindigt de stam op een d. Daarom wordt hij vindt geschreven met dt: de d hoort bij de stam en de t is de uitgang (Onze Taal). Bij jij na de persoonsvorm valt de t weg: word jij, vind jij (Onze Taal).

Vergelijk de tijd: ik word morgen gebeld is tegenwoordige tijd en ik werd gisteren gebeld is verleden tijd. De spelling van word en wordt volgt de persoonsvormregels, niet de vorm werd (Onze Taal).

Verleden tijd — wanneer schrijf je -de(n) of -te(n)?

Bij regelmatige werkwoorden helpt ’t ex-kofschip kiezen tussen -te en -de. Eindigt de verleden tijd op -te(n), dan eindigt het voltooid deelwoord op -t; eindigt die op -de(n), dan eindigt het deelwoord op -d (Team Taaladvies).

Werken wordt werkte en bellen wordt belde; de bijbehorende voltooide deelwoorden zijn gewerkt en gebeld (Team Taaladvies).

Voltooid deelwoord — wanneer eindigt het op -d of -t?

Vergelijk de verleden tijd: bij werkte schrijf je gewerkt, en bij belde schrijf je gebeld (Team Taaladvies).

Vergelijk de vormen zij betaalt en zij heeft betaald: in de eerste zin staat de persoonsvorm, in de tweede het voltooid deelwoord (Onze Taal; Team Taaladvies).

De 40 werkwoorden die A2/B1-schrijvers vaak verkeerd spellen

WerkwoordIk nu / hij nu / verleden tijd ik / voltooid deelwoordVoorbeeld en verleidelijke fout
wordenword / wordt / werd / geworden (Onze Taal)Ik word morgen gebeld. Wordt lijkt logisch door de d, maar bij ik staat alleen de stam.
vindenvind / vindt / vond / gevonden (Onze Taal)Hij vindt de brief. Vind mist de t bij hij.
antwoordenantwoord / antwoordt / antwoordde / geantwoord (Team Taaladvies)In een bericht antwoordt zij kort. Antwoord lijkt goed omdat de stam al op d eindigt.
meldenmeld / meldt / meldde / gemeld (Team Taaladvies)Op het formulier meld ik me aan. Meldt past niet bij ik.
betalenbetaal / betaalt / betaalde / betaald (Team Taaladvies)De klant betaalt vandaag. Betaald is hier niet de persoonsvorm.
vertellenvertel / vertelt / vertelde / verteld (Team Taaladvies)Hij vertelt het nieuws. Verteld is hier niet de persoonsvorm.
wachtenwacht / wacht / wachtte / gewacht (Team Taaladvies)De bus wacht bij de halte. De stam eindigt al op t.
werkenwerk / werkt / werkte / gewerkt (Team Taaladvies)In mijn brief schrijf ik: ik werk vandaag.
makenmaak / maakt / maakte / gemaakt (Team Taaladvies)Zij maakt een afspraak. Maak mist de t bij zij.
kokenkook / kookt / kookte / gekookt (Team Taaladvies)Gisteren kookte ik thuis.
luisterenluister / luistert / luisterde / geluisterd (Team Taaladvies)De cursist luistert naar de uitleg.
wonenwoon / woont / woonde / gewoond (Team Taaladvies)Wij wonen hier. Woont past niet bij wij.
lerenleer / leert / leerde / geleerd (Team Taaladvies)Zij leert Nederlands.
reizenreis / reist / reisde / gereisd (Team Taaladvies)Morgen reist hij met de trein.
fietsenfiets / fietst / fietste / gefietst (Team Taaladvies)Ik fiets naar huis.
pratenpraat / praat / praatte / gepraat (Team Taaladvies)Hij praat met de docent; de stam eindigt al op t.
sportensport / sport / sportte / gesport (Team Taaladvies)Na het werk sport zij vaak.
postenpost / post / postte / gepost (Team Taaladvies)Ik post een foto.
gebeuren— / gebeurt / gebeurde / gebeurd (Team Taaladvies)Het gebeurt vandaag; gisteren gebeurde het ook.
veranderenverander / verandert / veranderde / veranderd (Team Taaladvies)De afspraak verandert.
sturenstuur / stuurt / stuurde / gestuurd (Team Taaladvies)Ik stuur een e-mail naar de gemeente.
gebruikengebruik / gebruikt / gebruikte / gebruikt (Team Taaladvies)Hij gebruikt de computer.
openenopen / opent / opende / geopend (Team Taaladvies)Zij opent de deur voor haar bezoek.
gevengeef / geeft / gaf / gegeven (Team Taaladvies)Ik geef de sleutel aan mijn buurman.
nemenneem / neemt / nam / genomen (Team Taaladvies)Hij neemt de bus naar zijn werk.
schrijvenschrijf / schrijft / schreef / geschreven (Team Taaladvies)Zij schrijft een bericht aan haar docent.
lezenlees / leest / las / gelezen (Team Taaladvies)Ik lees de brief van de school.
zienzie / ziet / zag / gezien (Team Taaladvies)Hij ziet de halte vanaf het plein.
doendoe / doet / deed / gedaan (Team Taaladvies)Zij doet boodschappen na haar les.
gaanga / gaat / ging / gegaan (Team Taaladvies)Ik ga morgen naar de afspraak.
komenkom / komt / kwam / gekomen (Team Taaladvies)De trein komt om acht uur aan.
hebbenheb / heeft / had / gehad (Team Taaladvies)Ik heb een afspraak bij de huisarts.
zijnben / is / was / geweest (Team Taaladvies)Ik ben thuis.
kunnenkan / kan / kon / gekund (Team Taaladvies)Ik kan morgen komen.
moetenmoet / moet / moest / gemoeten (Team Taaladvies)Wij moeten vertrekken.
willenwil / wil / wilde / gewild (Team Taaladvies)Ik wil graag helpen.
zeggenzeg / zegt / zei / gezegd (Team Taaladvies)Hij zegt het eerlijk.
vragenvraag / vraagt / vroeg / gevraagd (Team Taaladvies)Ik vraag om hulp bij het invullen van het formulier.
bellenbel / belt / belde / gebeld (Team Taaladvies)Zij belt de huisarts.
zoekenzoek / zoekt / zocht / gezocht (Team Taaladvies)Ik zoek het adres in mijn papieren.

Oefening — verbeter de werkwoorden in korte berichten

Verbeter de werkwoorden tussen haakjes. Bepaal bij elke zin eerst de vorm en tijd; kijk daarna pas naar d of t.

  1. Morgen (word) ik om negen uur gebeld.
  2. (Vind) jij mijn afspraak in de agenda?
  3. Mijn buurman (betalen) de rekening vandaag.
  4. Gisteren (werken) ik tot zes uur.
  5. Ik heb het formulier naar de gemeente (sturen).
  6. De bus (wachten) niet op mij.
  7. We hebben samen (koken) en daarna gegeten.
  8. Zij (schrijven) een bericht aan haar docent.
  9. Vorige week (verhuizen) mijn zus naar Utrecht.
  10. De huisarts heeft mij gisteren (bellen).

Antwoorden met uitleg en een laatste controlelijst

  1. Word ik: tegenwoordige tijd, ik krijgt de stam (Onze Taal). Wordt is verleidelijk door de d, maar de t hoort niet bij ik.
  2. Vind jij: jij staat na de persoonsvorm, dus de t vervalt (Onze Taal). Vindt lijkt logisch door jij, maar bij inversie vervalt de t.
  3. Betaalt: de buurman betaalt (Onze Taal). Betaald lijkt verleidelijk, maar hier is de persoonsvorm tegenwoordige tijd.
  4. Werkte: verleden tijd van een regelmatig werkwoord; vergelijk werkte en gewerkt (Team Taaladvies).
  5. Gestuurd: voltooid deelwoord; vergelijk de uitgang met de verleden tijd stuurde (Team Taaladvies).
  6. Wacht: de stam eindigt al op t (Team Taaladvies).
  7. Gekookt: voltooid deelwoord; de verleden tijd is kookte (Team Taaladvies).
  8. Schrijft: tegenwoordige tijd, zij krijgt stam plus t (Onze Taal). Schrijf mist de t bij zij.
  9. Verhuisde: verleden tijd; het voltooid deelwoord is verhuisd (Team Taaladvies).
  10. Gebeld: voltooid deelwoord; de verleden tijd is belde (Team Taaladvies).

Oefen ook met voorbeelden en templates voor A2-schrijven, je A2-tekst laten controleren en verbindingswoorden voor je A2-tekst. Voor het B1-programma kun je ook informatie over het B1-examen bekijken.

Schrijf een paar eigen zinnen met werkwoorden uit de tabel en oefen dit in de app; je krijgt daar feedback op je antwoord: https://app.inburgering.coach/

Verder lezen

Veelgestelde vragen

Wanneer schrijf je dt?

In de tegenwoordige tijd schrijf je stam plus t bij hij, zij, het en meestal bij jij vóór de persoonsvorm. Als de stam op d eindigt, zie je dt, zoals in *hij vindt* en *zij wordt* ([Onze Taal](https://onzetaal.nl/taalloket/d-t-of-dt)).

Schrijf je ‘word jij’ of ‘wordt jij’?

Je schrijft *word jij* als *jij* na de persoonsvorm staat. De t vervalt dan; vóór de persoonsvorm schrijf je *jij wordt* ([Onze Taal](https://onzetaal.nl/taalloket/d-t-of-dt)).

Gebruik je ’t ex-kofschip voor de tegenwoordige tijd?

Nee. ’t Ex-kofschip helpt bij de verleden tijd, niet bij de tegenwoordige tijd ([Onze Taal](https://onzetaal.nl/taalloket/d-t-of-dt)).

Hoe weet ik of een voltooid deelwoord op d of t eindigt?

Vergelijk bij een voltooid deelwoord de verleden tijd: eindigt die op -de(n), dan eindigt het deelwoord op -d; eindigt die op -te(n), dan eindigt het op -t ([Team Taaladvies](https://www.vlaanderen.be/team-taaladvies/taaladviezen/d-dt-t)).

Related guides