Sterke en onregelmatige werkwoorden voor A2 en B1
Leer sterke werkwoorden met een compacte lijst, voorbeeldzinnen en een zelftest. Zie hoe infinitief, verleden tijd en voltooid deelwoord samen in een verhaal werken.
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd; lopen – liep – gelopen is een voorbeeld (Taal-oefenen).
Wat zijn sterke en onregelmatige werkwoorden?
Bij een sterk werkwoord verandert de klank in de verleden tijd, zoals lopen – liep (Taal-oefenen).
Je hebt de vormen nodig om te vertellen wat je doet, wat je gisteren deed en wat je al hebt gedaan. Leer ze daarom in korte zinnen, niet alleen als rijtje.
De drie vormen die je leert
In de lijst hieronder staat eerst de infinitief, dan de verleden tijd en als laatste het voltooid deelwoord. Onze Taal vermeldt bij werkwoorden in principe alleen de enkelvoudsvorm van de verleden tijd (Onze Taal). Bij de meeste werkwoorden maak je de meervoudsvorm door -en aan de enkelvoudsvorm toe te voegen; waren is een uitzondering: het meervoud van was.
| Infinitief | Verleden tijd enkelvoud | Verleden tijd meervoud | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|---|
| zijn | was | waren | geweest |
| hebben | had | hadden | gehad |
| gaan | ging | gingen | gegaan |
| doen | deed | deden | gedaan |
| komen | kwam | kwamen | gekomen |
| zien | zag | zagen | gezien |
| geven | gaf | gaven | gegeven |
| nemen | nam | namen | genomen |
| spreken | sprak | spraken | gesproken |
| eten | at | aten | gegeten |
| drinken | dronk | dronken | gedronken |
| lopen | liep | liepen | gelopen |
| schrijven | schreef | schreven | geschreven |
| lezen | las | lazen | gelezen |
| vinden | vond | vonden | gevonden |
| krijgen | kreeg | kregen | gekregen |
| blijven | bleef | bleven | gebleven |
| zitten | zat | zaten | gezeten |
| staan | stond | stonden | gestaan |
| slapen | sliep | sliepen | geslapen |
De belangrijkste sterke werkwoorden voor A2
Dit is een selectie voor leerders, geen volledige lijst. De vormen in deze lijst zijn te vinden in de vervoegingsoverzichten van Onze Taal.
Begin met zijn, hebben, gaan, doen en komen. Je gebruikt ze vaak in eenvoudige gesprekken en teksten.
- Ik was gisteren thuis. We waren allebei moe.
- Zij had een afspraak. Mijn ouders hadden geen tijd.
- Hij ging naar de huisarts. We gingen met de bus.
- Ik deed boodschappen. We deden dat samen.
- Mijn broer kwam om zes uur. Mijn ouders kwamen later.
Het voltooid deelwoord gebruik je vaak met hebben of zijn: Ik heb boodschappen gedaan en Ik ben naar huis gegaan.
Een korte tekst maakt het verschil tussen de vormen duidelijk:
Gisteren ging ik naar de markt. Ik kocht appels en sprak met een buurvrouw. Daarna ben ik naar huis gelopen. Ik heb soep gemaakt.
Hier vertellen ging, kocht en sprak wat er gebeurde. In de laatste twee zinnen staat een hulpwerkwoord met een voltooid deelwoord.
Extra werkwoorden voor B1
Dit is een selectie voor leerders, geen volledige lijst. De enkelvoudsvormen en voltooid deelwoorden staan in de vervoegingsoverzichten van Onze Taal.
| Infinitief | Verleden tijd enkelvoud | Verleden tijd meervoud | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|---|
| kopen | kocht | kochten | gekocht |
| brengen | bracht | brachten | gebracht |
| denken | dacht | dachten | gedacht |
| weten | wist | wisten | geweten |
| verliezen | verloor | verloren | verloren |
| kiezen | koos | kozen | gekozen |
| beginnen | begon | begonnen | begonnen |
| begrijpen | begreep | begrepen | begrepen |
| vergeten | vergat | vergaten | vergeten |
| helpen | hielp | hielpen | geholpen |
Gebruik ze in een verhaal met een duidelijke volgorde. Bijvoorbeeld: Ik begon vroeg. Eerst zocht ik mijn papieren, daarna koos ik een formulier. Ik begreep de vraag niet en vroeg om hulp. De verleden tijd maakt hier duidelijk wat achter elkaar gebeurde.
Wil je oefenen met zinnen die langer zijn, lees dan ook over woordvolgorde en inversie in Nederlandse zinnen en zinnen verbinden met want, omdat, dus en maar. Je kunt de vormen ook bekijken in een e-mail schrijven in het Nederlands en een klachtbrief schrijven en werkwoorden in context zien.
Werkwoorden met meer dan één mogelijke vorm
Volgens Onze Taal is vraagde een verouderde vorm; vroeg is al heel lang de gewone vorm. Bij bakken zijn de vormen bakken – bakte – gebakken (Onze Taal). Voor het leren betekent dit dat je zowel bakte (verleden tijd) als gebakken (voltooid deelwoord) onthoudt: Ik bakte gisteren brood; ik heb brood gebakken.
Zo leer je de lijst zonder alles tegelijk uit je hoofd te leren
Kies vijf werkwoorden. Zeg de drie vormen hardop en maak daarna één zin met de verleden tijd en één met het voltooid deelwoord. Schrijf bijvoorbeeld: Ik schrijf een brief. Gisteren schreef ik een brief. Ik heb een brief geschreven.
Leg de nadruk op de verandering, niet op een vaste regel die voor ieder werkwoord geldt. Vergelijk geven – gaf – gegeven met nemen – nam – genomen. Herhaal de werkwoorden later opnieuw en haal daarbij de Nederlandse vorm uit je geheugen voordat je naar de lijst kijkt.
Bij het schrijven helpt het om eerst de hele zin te maken en daarna het werkwoord te controleren. Voor meer oefening met een bericht kun je een e-mail schrijven in het Nederlands als context gebruiken.
Oefening — kies de juiste vorm in een zin
Vul het werkwoord tussen haakjes in. Kies de verleden tijd of het voltooid deelwoord dat bij de zin past.
- Gisteren ___ ik met de trein naar Utrecht. (gaan)
- We hebben samen soep ___. (eten)
- De kinderen ___ om acht uur thuis. (komen, verleden tijd)
- Ik ben naar de winkel ___. (lopen)
- Hij ___ de weg naar huis. (vinden, verleden tijd)
Probeer eerst zelf de zinnen af te maken. Kijk daarna naar de antwoorden.
Antwoorden en korte uitleg
- Gisteren ging ik met de trein naar Utrecht. Gaan wordt ging in de verleden tijd (Onze Taal).
- We hebben samen soep gegeten. Na hebben staat hier het voltooid deelwoord (Onze Taal).
- De kinderen kwamen om acht uur thuis. Dit is de meervoudsvorm van de verleden tijd (Onze Taal).
- Ik ben naar de winkel gelopen. Lopen heeft als voltooid deelwoord gelopen (Taal-oefenen).
- Hij vond de weg naar huis. Vinden wordt vond in de verleden tijd (Onze Taal).
Verder lezen
Veelgestelde vragen
Wat is een sterk werkwoord?
Bij een sterk werkwoord verandert de klank in de verleden tijd, zoals *lopen – liep – gelopen* ([Taal-oefenen](https://www.taal-oefenen.nl/instruction/taal/werkwoorden/werkwoorden-algemeen/wat-zijn-sterke-werkwoorden)).
Wat is het verschil tussen sterke en onregelmatige werkwoorden?
In deze tekst gebruik ik de termen niet als afzonderlijke definities; de uitleg gaat over werkwoorden waarvan de klank verandert ([Taal-oefenen](https://www.taal-oefenen.nl/instruction/taal/werkwoorden/werkwoorden-algemeen/wat-zijn-sterke-werkwoorden)).
Hoe leer ik sterke werkwoorden?
Maak eigen zinnen, bijvoorbeeld *Ik schrijf een brief. Gisteren schreef ik een brief. Ik heb een brief geschreven.*
Related guides
Guide
De of het in het Nederlands — de regels die je echt nodig hebt
In het meervoud gebruik je de en een verkleinwoord krijgt het. Voor andere woorden helpen sommige uitgangen, maar vaak leer je het lidwoord het best samen met het zelfstandig naamwoord.
Guide
Hebben of zijn in de voltooide tijd
Meestal gebruik je hebben in de voltooide tijd. Leer wanneer zijn past, vergelijk werkwoorden met beide hulpwerkwoorden en oefen met een beslisschema.
Guide
D of t schrijven — de regel en 40 veelgemaakte werkwoorden
Bij ik schrijf je de stam; bij hij/zij/het en jij vóór de persoonsvorm stam + t, en bij jij achter de persoonsvorm de stam. Oefen met korte voorbeelden en veelgebruikte werkwoorden.